Aangesproken worden … autisme en woorden

Als ik aangesproken wordt, gebruikt iemand woorden om met mij te praten. Woorden zoals mijn naam, voornaamwoord, titels, … Soms ervaar ik ze als gepast, soms als kinderlijk, betuttelend, ouderwets of ongewenst. Of ‘jij’ of ‘u’. Het lijken kleine woorden, maar ze hebben veel betekenis. Ze tonen hoe iemand anders mij ziet.
Soms spreekt iemand mij aan op een manier die niet klopt. Iemand zegt bijvoorbeeld “mevrouw”, terwijl ik liever “mijnheer” hoor. Of iemand gebruikt een verkeerde naam. Soms noemt iemand mij “meisje”, “jongetje” of een verkleinwoord dat ik niet fijn vind. Dan krijg ik het het gevoel krijgen dat die persoon mij niet goed ziet, hoort of niet serieus neemt.
Aanspreekwoorden gaan niet alleen over beleefdheid. Ze zeggen vaak ook iets over leeftijd, gender, afstand en respect. “U” kan beleefd klinken. Een voornaam kan persoonlijk en vriendelijk zijn. Een woord als “jongetje” kan iemand kleiner of jonger maken dan die persoon is. Ik vind het belangrijk om goed na te denken over hoe ik anderen noem.
Mensen maken vaak snel een beeld van mij of anderen, zeker als ze die niet kennen.. Ze kijken naar kleding, haar, gezicht, lichaam en houding. Ze luisteren naar mij stem. Op basis daarvan denken ze te weten of ik man of vrouw ben, jong of oud, vriendelijk of streng. De eerste indruk blijkt meestal niet de juiste. Mijn lichte stem, mijn uiterlijk, mijn kleding zegt niet wie ik ben. Als stil persoon ben ik niet automatisch ongeïnteresseerd.
Ik vind aangesproken worden en anderen aanspreken extra moeilijk. Veel sociale regels zijn immers niet duidelijk. Sommige mensen verwachten bovendien dat iedereen zich op dezelfde manier kleedt, praat en beweegt. Als je daarvan afwijkt, wordt je snel als “vreemd” gezien. Ik kies kleding omdat die zacht is, niet kriebelend, of niet te strak, in elk geval hoe ze voor mij aanvoelt. Ik probeer een evenwicht te vinden tussen comfort en uitstraling. Anderen denken wel eens dat mijn kleding raar, kinderlijk of niet netjes genoeg is.
Zo kan mijn lichamelijke noodzaak verkeerd worden gelezen als een bewuste keuze, met een sociale betekenis. Zo draag ik bijvoorbeeld vaak dezelfde trui omdat die veilig en prettig voelt. Een ander ziet alleen die trui en denkt misschien dat de persoon slordig of arm is. Dat is begrijpelijk, maar niet altijd prettig. Mensen veronderstellen vaak te snel hoe iemand is zonder te weten waarom iemand iets draagt, hoe iemand spreekt of waarom zich op een bepaalde manier gedraagt.
Tegelijk denken ze dat labels of diagnoses beter verdwijnen, zonder zich bewust te worden van hun te snelle oordelen of veronderstellingen, of de wil die aan te passen naar meer genuanceerd denken.
Eerder dan gedragsaanpassing verweren mensen die me verkeerd aanspreken zich meestal. Ik zie er nu eenmaal zo uit, mijn stem klinkt gewoon zo, ik moet niet zo gevoelig doen, het was maar een grapje, je moet maar duidelijker tonen wie je bent en je moet daar maar tegen kunnen, zijn er maar enkele van. Mensen kunnen zich natuurlijk vergissen, maar een uitleg is iets anders dan een een excuus. Meestal blijft het bij een nieuwe uitleg, zonder de verantwoordelijkheid van het excuus.
Op een onterechte of denigrerende manier aangesproken worden, overkomt veel mensen in onze samenleving. Sommige van die mensen zetten daar rigiditeit op vlak van taal tegenover. Ze zeggen dat ze gekwetst of beledigd zijn als mensen hen niet aanspreken met de termen die zij als de enige mogelijke ervaren. Omdat ‘juiste’ taal volgens emanciperend zou werken, bijvoorbeeld. Terwijl ze daarmee in dezelfde val trappen als de stigmatiserende meerderheid.
Het liefst wordt ik aangesproken met de bedoeling een gesprek aan te gaan. Zonder gecorrigeerd te worden, en als manier om te laten zien: ik zie jou als mens en ik neem serieus wie jij zegt te zijn, en kijk uit naar wat ik van jou kan leren.