De autistische patiënt bij de psychoanalist

Toeval bestaat niet, wordt gezegd. Wie ‘toevallig’ op iets stoot, zou er naar op zoek zijn geweest. Ofwel wordt die mens bespeeld door zijn onbewuste, ofwel door zijn genen, ofwel door een trauma uit de kindertijd. Al is dat eerder ‘hineininterpretierung’, een overinterpretatie van wat voorbij is.

Op internet-safari

Zo kwam ik onlangs tijdens een internetsafari langs een fascinerend tekstfragment met de titel ‘Waarom vindt de autistische patiënt moeilijk de weg naar de psychoanalyse?’.

Het fragment blijkt onderdeel van een artikel ‘Autisme: hoe een bevroren diagnose ontdooien’. Dat op zijn beurt deel uitmaakt van de verslagbundel ‘Het raadsel autisme. Psychoanalytische psychotherapie’ die in 2012 uitkwam bij Garant.

Door een fragment afzonderlijk te zien, mist de lezer, net als bij het citaat, een stuk van de context, en dus de betekenis. Bovendien is de rode draad in de meeste besprekingen van boeken rond of van of over of geïnspireerd door psychoanalyse of aanverwanten dat de analyse verkeerd of onzinnig is. De kans is dus groot dat dit ook hier het geval is.

Een bevroren raadsel ontdooien … op het eerste gezicht klinkt het alvast vrij ‘old-school’. Het lijkt ook vooral om kinderen en jonge volwassenen te gaan. Vanuit een invalshoek van expertise over psychose en psychotici. Zo wordt enkel gesproken over autisten als patiënten die kinderen zijn, die lijken te leven in een diepvries, en vervuld zijn met angsten.

Waarom vindt de autistische patiënt moeilijk de weg naar de psychoanalyse?

Zelf zou ik denken dat mensen kiezen voor een therapeut of psychiater waarmee het klikt, die luistert en niet vast is geklit aan een therapeutische stroming. Met andere woorden: eerst de mens, daarna de therapie.

De vraag zelf lijkt op ’t eerste gezicht ook een beetje vreemd. Volgens mij bestaat ‘de psychoanalyse’ immers niet. Noch de psychoanalyst. Net als dat bij andere stromingen het geval is. Maar blijkbaar zit ‘de psychoanalyse’ met een probleem. Artikels met de vraag waarom iemand met autisme zo moeilijk de weg vindt naar pakweg systeemtherapie, contextuele therapie of naar antipsychotica of antidepressie … zijn mij onbekend.

Drie mogelijke oorzaken

In het artikel wordt een drietal mogelijke oorzaken aangehaald waarom iemand met autisme de weg naar een psycho-analyticus niet weet te vinden. Ik laat het ‘patiënt’ even vallen – we zijn immers niet allemaal ziek of opgenomen. Bovendien heb ik het liever over de mens achter de psycho-analyse, de psycho-analyticus of analytica of andere therapeut. Een therapeut of psychiater is, hoop ik, toch meer dan zijn of haar stroming.

Ook probeer ik het hier zo verstaanbaar mogelijk te maken. De meeste psycho-analytisch geïnspireerde geschriften zijn vaak het tegenovergestelde van verstaanbaarheid, zelfs als het gaat om boeken voor een ruimer publiek. Een wat meer hedendaags en ‘normaal’ taalgebruik, ook in de gesprekken zelf trouwens, zou al heel wat heil brengen.

Al heeft de psychoanalyse ook weer niet het patent op zoeken naar ‘het waarom’ (en aanwijzen van schuldigen), waarde-oordelen (met vooroordelen en veronderstellingen) en vooral onnodig complex taalgebruik. Toch is het jammer dat ze hier wel voor bekend staat, dat leidt alleen tot verdachtmaking. Als het niet gemakkelijk kan uitgelegd worden, geeft dat de indruk dat er iets moet verborgen worden.

Een misbegrepen en geëvolueerde stroming

In de eerste plaats zou dit aan de psychoanalyse zelf toe te schrijven zijn. De ijskastmoeder van Kanner en het lege fort van Bettelheim zijn voor velen immers symbool geworden voor de ideeën van psychoanalytici.

“De fout die Bruno Bettelheim en ook vele psychoanalytici na hem maakten, is dat ze zich te veel lieten leiden door hun tegenoverdracht en wellicht niet begrepen hoe moeders juist vaak op een empathische manier reageren op hun kinderen, die de meest primitieve defensiemechanismen ontwikkelen tegen een diep wezenlijke angst”, stelt de auteur.

Die veralgemening zou onrecht doen aan de huidige generatie psycho-analytici. Deze zouden de moeder niet langer beschuldigen maar haar zien als degene die zelf heel erg de angst ervaart die hun zoon of dochter in haar tracht te ‘evacueren’.

Zich laten inspireren of laten determineren?

Hoewel uitspraken in de pers van gerenommeerde analytici als zou autisme niet meer zijn dan een hype of een verwaarloosbare sociale fobie er ook niet veel goeds aan doen. Of als zouden we best afscheid nemen van de etiketten diagnostiek. Terwijl ik analytici ken die indirect al een etiket of diagnose toekennen (op ‘horen zeggen’). Uiteraard zijn dit uitzonderingen.

Bovendien zijn er in mijn ervaring ook nog wel psycho-analytici die de wens van de ouders dat hun kind er eigenlijk niet had mogen zijn zien als de fundamentele fatale factor waarom hun kind autisme heeft. Daar hoef je de Franse documentaire ‘Le Mur’ niet voor gezien te hebben.

Anderzijds zijn er uiteraard ook psycho-analytisch en psycho-dynamisch geïnspireerde therapeuten en psychiaters die meer inzicht hebben en focussen op de kwetsbaarheden en krachten van iedere betrokkene, en afstand nemen van verouderde en te vage theorieën. En er zijn evengoed ook hulpverleners die andere invalshoeken gebruiken die bizarre ideeën en technieken hanteren. Een goede therapeut of psychiater laat zich volgens mij vooral inspireren maar niet determineren door een of ander gedachtengoed of stroming.

Teveel aandacht voor autisme als biologische ontwikkelingsstoornis

Verder zouden recente wetenschappelijke evoluties een oorzaak zijn dat mensen met autisme en hun omgeving minder geneigd zijn om voor een psycho-analytisch geïnspireerde hulpverlener te kiezen.

Deze inzichten leiden volgens de auteur van het artikel ‘op geen enkele wijze’ tot inzichten in de etiologie of de leer van de oorzaken van autisme. Autisme is niet een louter biologische ontwikkelingsstoornis volgens de auteur. Wie die invalshoek aanhoudt, heeft weinig vandoen met psychotherapie. De auteur is daarentegen wel positief over de theorie van de neuroplasticiteit, die gelooft in de kracht van hersenen die zich aanpassen.

Verder wordt nog de oorzaken en (mogelijke) gevolgen van autisme zoals ze in de meeste standaardwerken staan nog eens mooi samengevat: “Oorspronkelijk aangeboren factoren of een oorspronkelijk inadequate omgeving of beide met hun inter-agerende ‘loops’ kunnen aanleiding geven tot de zware emotionele en cognitieve problemen van autisme als eindresultaat”.

Het ‘economisch belang’ van autisme

Een derde en laatste oorzaak wordt gezocht in het cluster van economische argumenten. De Amerikanisering van de Europese psychiatrie zou het economisch belang van het ‘atheoretische’ DSM-classificatiesysteem stimuleren.

Mensen met autisme die voldoen aan een DSM-nummer van autisme spectrum stoornis zouden een beroep kunnen doen op wat de auteur allerlei financiële en maatschappelijke voordelen noemt.

De bijzondere begeleiding in scholen, integratietegemoetkoming of hulp bij huisvesting worden daarbij vernoemd. Het gaat bijvoorbeeld om het verkrijgen van Gon-begeleiding, verhoogde kinderbijslag of een ticket tot bijstand voor ambulante of residentiële woonbegeleiding bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.

Voordelen zou ik het niet meteen noemen, wel eerder middelen/tools die, in meer of mindere mate, noodzakelijk zijn om de leefsituatie van iemand met autisme en diens omgeving te verbeteren.

Verbetering komt er immers niet alleen door te praten (hoe diepgaand dit ook moge zijn) maar vaak ook met een combinatie van medicatie en concrete maatregelen om praktische zorgen aan te pakken. Zoals door thuisbegeleiding, begeleid of beschermd wonen. Zoals door financiële ondersteuning. Zoals door begeleiding van de (groot)ouders of partner. Zoals door een goede en duidelijke diagnose te stellen, bijvoorbeeld met gebruik van de DSM.

Deze ‘economische’ aspecten zijn een bekommernis van het hele team dat ondersteunt, maar ook van een hedendaags psychiater.

Toch iets genuanceerder dan dat …

Het is ook wat kort door de bocht door te suggereren dat een diagnose autisme alleen zou leiden tot financiële of praktische ‘voordelen’.

Zowel ingeval van de aanvraag van een zorgvraag wonen als een aanvraag voor een inkomens-vervangende – en integratietegemoetkoming, is de diagnose autisme spectrum stoornis immers verre van een zekerheid om het te verkrijgen.

In zo’n aanvraag wordt volgens mij eerder gekeken naar de omschrijving van de zelfredzaamheid, wat iemand wel nog kan en in welke mate de inspanningen om dit te doen deelname aan de samenleving meer beperken dan bij mensen zonder ernstige medische beperkingen.

Een diagnose is daarbij vooral een indicatie van die medische beperkingen, maar zeker niet het belangrijkste. Het is volgens mij dus niet vanzelfsprekend dat een diagnose autisme leidt tot het verwerven van een recht. Het helpt soms, maar evengoed werkt het tegen.

Tot slot: waarom iemand met autisme echt niet de weg vindt? (of wel de weg vind maar snel een andere kiest)

Waarom een persoon met autisme dus niet de weg vindt naar de psycho-analyse? Misschien omdat er ook nu nog allerlei verhalen over merkwaardige praktijken en ideeën over (mensen met) autisme en hun omgeving? Of omdat analysten teveel kijken op lange termijn, dat het te lang duurt vooraleer er ‘iets’ gebeurt, en omdat ze de economische argumenten onderschatten?

Wellicht vinden heel wat mensen met autisme en hun omgeving (ouders, partners, …) wel de weg naar een psycho-analyticus. Sommigen blijven, omdat het elders, bij een meer praktisch gerichte therapie, ‘harder werken’ is. Uiteindelijk is praten, zelfs als het confronterend blijkt, gemakkelijker dan de handen uit de mouwen steken. Al zijn er ook mensen die menen dat ze ‘zichzelf hebben leren kennen’ door die aanpak. Soms volstaat dat om het leven weer te zien zitten. Soms niet, en dan is het beter een ander pad te kiezen.

Het zou ook kunnen liggen aan de verwachtingen van de meeste analysten: dat de cliënt ongedwongen, spontaan en vol vertrouwen zich bloot geeft. Terwijl iemand met autisme doorgaans minder geneigd is tot spontane interactie, eerder wat sneller concreet resultaten wenst en een tijd nodig heeft tot er vertrouwen is. In die zin lijkt het vrij logisch dat mensen met autisme (en hun omgeving) eerder een andere therapeutische stroming zoeken.

Al deze en andere (drog)redenen (als zou psycho-analyse meer multidisciplinair of holistisch zijn), zijn volgens mij echter ondergeschikt aan wat echt belangrijk is: de keuze van iemand met autisme zelf, hoe het klikt en of de therapeut of psychiater respectvol luistert naar zijn problemen, die van zijn omgeving en hen sterker weet te maken.

Het raadsel autisme. Psychoanalytische psychotherapie? / G. Cluckers e.a. (red) – Garant, 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s