Diagnostische culturen … over oprukkende diagnostische taal in ons dagelijks leven

Diagnostic cultures

Diagnoses als autisme zijn tegenwoordig alomtegenwoordig en steeds meer aanwezig in onze gesprekken. Concepten van ziekten en stoornissen en de diagnoses die we gebruiken om onze problemen te benoemen – zijn niet langer enkel medisch, biologisch of psychologisch, maar ook bureaucratisch, sociaal en administratief actief. Diagnoses zijn een deel geworden van hoe we onszelf zien, elkaar en de wereld.

Grote sommen geld gaan rond in de hedendaagse diagnostiek en psychiatrie. Daarnaast zou 25% van de bevolking van de Westerse landen in de loop van een levensjaar lijden aan minstens één psychische aandoening. Ongeveer de helft van de mensen zou er in zijn of haar leven aan ten prooi vallen.

De verklaringen daarvoor zijn uiteenlopend. Volgens de ene is het verschil met vroeger dat we nu beter dan ooit kunnen te weten komen wie aan wat lijdt. Terwijl een ander de cijfers net interpreteert als een bewijs dat de hedendaagse samenleving ziekmakend is. Mensen zouden in onze samenleving immers niet langer aan materiële armoede, honger of schrijnende arbeidsomstandigheden sterven maar aan diverse psychische stoornissen zoals depressie, angst, eet – en bipolaire stoornissen, die op hun beurt dan weer het gevolg zouden zijn van de vervreemdende effecten van het afgebrokkelde sociale leven.

Er is volgens Svend Brinkmann, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Aalborg (Denemmaken), echter veel meer aan de hand, namelijk de ontwikkeling van wat hij in zijn boek aanduid als diagnostische culturen. Het concept verwijst naar de ontelbare manieren waarop psychiatrische categorieën in de mond worden genomen door diverse mensen – zowat iedereen – om met uiteenlopende levensomstandigheden om te gaan, deze te plaatsen en te interpreteren. Het gaat dus niet om één cultuur, maar diverse door elkaar lopende culturen, waarvan hij zich toespitst op die rond ADHD.

Voor deze diagnostische culturen ontstonden, waren het volgens Brinkmann vooral religieuze concepten die relaties bepaalden, zowel relaties met anderen als met zichzelf, en het waren religieuze ideeën die mensen toelieten om betekenis te geven aan hun ervaren lijden. Tegenwoordig zijn het veeleer psychiatrische diagnoses die worden aangehaald om de problemen die mensen ervaren een betekenis en plaats te geven. Classificaties zijn een belangrijk instrument geworden in het dagelijks leven van omgang met menselijk lijden en menselijke problemen.

Als Brinkmann spreekt over diagnostische culturen, heeft het hij over ons allemaal. Het gaat niet om een medicalisering van bovenaf, waarbij artsen of ‘het systeem’ labelt (zoals in de jaren zeventig hip was te verklaren), maar een pathologiseren en psychologiseren van onderuit, waarbij mensen zelf op zoek gaan naar diagnoses om hun eigen uiteenlopende levensproblemen te verstaan. In onze geïndividualiseerde en geseculariseerde samenleving is er dan ook meer dan ooit nood aan inzicht verwerven in het eigen lijden, ongemak en ervaren problemen, en dat gebeurt steeds vaker in psychiatrische en psychodiagnostische terminologie.

Dat ondermijnt volgens Brinkmann onze mogelijkheden om ons op diverse en diepgaande manier te verstaan zowel als om anderen goed te kunnen helpen.  Want lijden is veel meer dan een medisch probleem. Het moet in veel meer perspectieven gezien worden, zoals in morele en existentiële termen. We mogen ons lijden niet verengen tot enkele symptomen op een checklist of via een testje op het internet besluiten dat we voldoen aan de voorwaarden van een bepaalde stoornis, zoals autisme. Onze problemen mogen we niet enkel verstaan of bespreken in een diagnostische taal.

Naast diagnostische talen – die lijden herleiden tot de dimensies van zijn, hebben en doen (autistisch zijn, autisme hebben, autistisch doen) – bespreekt Brinkmann in zijn boek daarom ook de religieuze, existentiële, morele en politieke taal om betekenis te verlenen aan onze ongemakken of spanningen.

In de diagnostische taal wordt autisme verstaan in termen van symptomen zoals die vermeld staan in de diagnostische handboeken zoals de DSM en de ICD. Deze vertrekken van bepaalde belangrijke veronderstellingen, waarbij vooral biologische aspecten benadrukt worden. Screenings, onderzoeken, een focus op risicofactoren en een problematisering van wat gewoon is, staan in deze diagnostische taal centraal. Het is een taal die we ook terugvinden in tijdschriften, zelfhulpboeken of op het internet met zelfdiagnosetesten die mensen uitnodigen om een classificatie autisme verder te onderzoeken. Of ze krijgen een diagnose als ze deelnemen in een van de grootschalige preventieve onderzoeken.

Zonder dat we er ons goed van bewust zijn gebruiken we volgens Brinkmann diagnostische taal om aan te geven dat er iets mis is, om ons gedrag, onze reacties en emoties en die van anderen te benoemen. Brinkmann vindt het wat te kort door de bocht om daar alleen de farmaceutische industrie voor aan te wijzen als schuldige. Het zijn veeleer wij allen die onszelf graag willen zien als patiënt of slachtoffer, of die uitnodiging niet kunnen weerstaan. Bovendien zijn er ook voordelen aan de diagnostische taal: je komt in aanmerking tot bepaalde voordelen binnen de welzijnssector en je kan ook aansluiten bij ervarings – lot – of bondgenoten om je ervaringen te uiten en niet te blijven zitten of op te kroppen.

Dat wij, de ene al meer dan de andere uiteraard, zijn de diagnostische taal zijn gaan gebruiken, heeft volgens Brinkmann ook te maken met hoe we vroeger hoofdzakelijk met lijden en last omgingen (of om moesten gaan). Hij heeft het over de religieuze taal die we voorheen gebruikten als concept om pijn te meten, zoals John Lennon in zijn lied God in 1970 verwoordde.

Religie is lange tijd niet alleen het sociaal cement geweest maar ook een antwoord op de vele waaroms die mensen zich stelden, op de eerste plaats het waarom van (zinloos) lijden. Net als het waarom van autisme vroeger vooral religieus of moreel werd uitgelegd en tegenwoordig vooral medisch, worden ook de problemen die vroeger uit ‘zonde’ voortkwamen nu als een gevolg van ziekte beschouwd. Dat biedt volgens Brinkmann een te beperkt perspectief om met het menselijk lijden (waaronder psychisch lijden) zinvol om te gaan.

Een alternatief aan de religieuze taal om lijden en last te verstaan, is volgens Brinkmann de existentiële taal. Deze ziet diverse menselijke problemen als onvermijdelijk deel van ons bestaan. Als voorbeeld citeert hij het werk van de atheïstische filosoof Kierkegaard over angst. Alleen mensen ervaren de angst die Kierkegaard beschrijft, de doodsangst, die de diepste zin geeft aan ons bestaan. Hij verwijst ook naar de landelijke wijsheid die een stoïcijnse houding met de aanvaarding van de onrechtvaardigheden van het leven combineert. Daartegenover staat dan de Westerse pathologisering van menselijke reacties op traumatische gebeurtenissen, en het toenemend onvermogen om met het eigen en andermans rouw om te gaan.

Naast de dominante diagnostische taal in het Westen, de dominante religieuze taal in de rest van de wereld en de existentiële taal, wordt ook de morele taal gebruikt om met lijden om te gaan.

Moraal gaat lang niet alleen over de evaluatie van individuele acties in het licht van morele waarden, maar gaat over hoe het leven zou moeten zijn. Voelen we ons bijvoorbeeld schuldig, dan ervaren we dat we iets verkeerd hebben gedaan. Door schaamte voelen we dan weer dat de anderen onze handelingen negatief beschouwen. Brinkmann verwijst naar de toenemende neiging om depressieschalen te gebruiken voor wat eigenlijk morele problemen zijn. Daarnaast bespreekt hij in dit kader de casus van Anders Breivick wiens problematiek eerder op basis van actie (vanuit een redenering en intentie) dan op basis van gedrag (dat als gevolg van iets anders ontstaat) zou moeten beoordeeld worden. Wat volgens hem het verschil tussen een uitspraak in een morele taal en een diagnostische taal zou zijn. Opteren voor de diagnostische taal in juridische contexten betekent volgens Brinkmann in veel gevallen ons gezond verstand uitschakelen.

Naast de diagnostische, religieuze, existentiële en morele taal is er een laatste taal om lijden te benaderen, de politieke taal. Politiek gaat daarbij om de organisatie van het samen leven, in die mate dat alle burgers gehoord worden en impact hebben op maatschappelijke beslissingen.

Politieke taal gaat over sociaal (on)recht, marginalisatie, discriminatie of inbreuk op (mensen)rechten. Deze politieke taak wordt volgens Brinkmann geleidelijk aan verdrukt door de diagnostische taal, in die zin dat wezenlijk maatschappelijke problemen gezien worden als symptomen van stoornissen. Op dezelfde manier als barre werkomstandigheden en werkstress steeds vaker door een diagnostische bril worden gezien, en benaderd worden door mindfulness coaches in plaats van de sociale partners (vakbonden, middenveldorganisaties, werkgeversorganisaties) die politieke actie organiseren.

Het is volgens Brinkmann belangrijk onze problemen in al deze talen te kunnen verwoorden en te benaderen. Niet slechts de religieuze taal, zoals vroeger het geval was, en in sommige milieu’s nog steeds het geval is, maar ook langs de existentiële, morele en politieke taal, en als het nodig is ook via de diagnostische taal. Zo zien we onszelf zoals we zijn, mensen binnen een (politieke) samenleving, die religie beleven, met existentiële kwesties worstelen en morele vragen krijgen voorgeschoteld in ons leven.

Een psychiatrische diagnose heeft volgens Brinkman uiteraard nog zijn plaats, maar heeft vooral drie functies: uitleggen, zelfbevestiging, en ontschuldiging. Waarbij van de gediagnosticeerde uiteindelijk verwacht wordt dat hij of zij, in het ideale geval, meer gaat doen, zichzelf beter gaat voelen, en langer gaat leven.

Brinkmann stelt zich vragen bij mensen die zelfdiagnoses stellen omdat ze doen aan zelfpathologisering, en hun eigen identiteit, taal en wereld creëren rond de (formele en informele) diagnose autisme in zelfhulpgroepen. Dat doen ze onder andere om hun lijden en onzekerheden betekenis te geven en zich tenminste tijdelijk te (ver)ankeren in een toenemend liquide samenleving (een begrip van de lezenswaardige socioloog Zygmunt Baumann). Zelfhulpgroepen weten volgens Brinkmann vaak ook niet goed wat ze eigenlijk doen en wat hun functies zijn.

Brinkmann beschrijft deze zelfpathologisering verder op basis van zijn diepgaande ervaringen met ADHD-zelfhulpgroepen. Het is duidelijk dat dit geen ‘los-zand’-gefilosofeer is maar gebaseerd op intensief veldonderzoek. Dat maakt het meteen ook geloofwaardig.

De toenemende pathologisering en diagnosticering van wat in principe levensproblemen zijn, ziet Brinkmann om een aantal redenen als een belangrijk probleem. Het verbrast de middelen voor behandeling, het verhoogt de kwetsbaarheid van individuen, het individualiseert maatschappelijke problemen, en het beperkt onze mogelijkheden tot zelf-inzicht. Aangezien het concept van psychische stoornissen veelal gebaseerd zijn op het begrip familiegelijkenis (van de Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein), zijn ze zelden houdbaar volgens hem.

Hij roept op om het begrip grondig te herbekijken, omdat, in het geval van autisme, de persoon die autisme heeft, autistisch doet, autistisch is … meervoudig is … een verstand heeft, een lichaam, sociale gebruiken (mensen, rituelen) die hem of haar omringen, evenals technologische instrumenten en technieken. Dit allemaal over dezelfde kam scheren, en in hetzelfde verhaal steken is volgens hem niet goed. Daartoe roept hij op tot een interdisciplinaire dialoog en interesse, bijvoorbeeld psychologen die in dialoog gaan met antropologen, neuro-wetenschappers met sociologen enzovoort.

Uiteindelijk vraagt hij zich af of we in de toekomst het einde van de pathologisering zullen zien, en aandoeningen die nu nog als psychisch lijden worden gezien als normaal zullen beschouwd worden, of zal de toekomst met het toenemend gebruik van hersenscans en genetische tests steeds meer ruimte bieden aan diagnostische culturen – zelfs diagnosticeren nog voor de personen in kwestie last of lijden ervaren of symptomen zich aandienen, op basis van los zand ideeën, risicoanalyses en veronderstelde genetische kwetsbaarheden?

Svend Brinkmann in Diagnostic Cultures: a cultural approach to the pathologization of Modern Life (Routledge, 2016). With thanks to Agnetha for sending me the copy for free. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s