Niet perfect, toch geprobeerd

Alles kan beter. Dat was de rode draad op school tussen mijn zesde en negentiende. Dat werd stevig op het hart gedrukt, in de oren geknoopt en in onuitwisbare inkt getatoeëerd. Nog niet op de huid, maar alleen omdat tatoeages alleen voor onderkruipsels waren. Wij, daarentegen, waren Gods kinderen. Neem dat vooral niet te letterlijk, zei mijn moeder toen ik dat thuis vertelde, je bent gewoon een jongen zoals alle anderen.

Kan je écht niet beter?

Gods kind of gewoon een zoon … in die tijd was ik niet zo bezig met wie ik was (en eigenlijk nog steeds niet). Ik had nauwelijks het gevoel te bestaan (anders dan nu). Hoogstens als radertje in een gigantische horlogerie. Wie ik was, doceerde een leerkracht, werd bepaald in de ogen en in het gelaat van de anderen. Mensen bestaan maar als deel van een groep, zelf kunnen ze niets.

Ik was zelf niet echt bezig met de vraag wie ik was. Nog steeds niet. Eerder met de vraag waarrond alles in die tijd draaide (en in zekere zin nu nog steeds) : ‘Kan je écht niet beter?’. Beter kunnen betekende voortdurend jezelf ontdekken, ontwikkelen, ontplooien. Af en toe kwam daar ook nog ‘Je hebt het toch wel geprobeerd? bij. Die zinnen met ‘toch’ lijken tegenwoordig ook weer in opgang. Ik heb er nog steeds een aversie tegen. Zoals ‘lijkt me toch normaal?’, ‘is toch een perfect redelijk verzoek’, ‘je zou toch minstens beleefd kunnen zijn’.

Waren de ‘ont’-woorden op, dan schakelde het keurkorps over op werkwoorden met ‘ver’. Grenzen verleggen. Lasten verdragen. Lijden verzwijgen. Ongeacht of je al hard je best had gedaan of eerder andersom, aan het einde van de dag was er toch steeds die vraag: heb je het wel echt geprobeerd?

Nooit echt klaar met talenten ontwikkelen

Binnen de muren van de statige school, met bruine muren en hoge ramen, waar ik les volgde, was je eigenlijk nooit echt klaar. Het beste antwoord dat je kon krijgen was dat er nog wat werk was. In het slechtste geval klonk slechts een diepe zucht na een vluchtige blik.

In die tijd mocht ik al eens nablijven en kreeg dan meestal de gelijkenis der talenten (Mattheüs 25: 14-30) te horen. Waarbij het talent in de gelijkenis niet slaat op aangeboren aanleg maar over een geldwaarde die pas na een jaar werken verworven wordt. Dat wist ik toen nog niet.

In de bewerking van de leerkracht was ik steeds degene met twee talenten, die er vier van had gemaakt. Wat volgens hem niet genoeg was. Hoewel ik een harde werker, doorzettingsvermogen en inzet had, was dit onvoldoende om een ‘ernstige richting’ aan de Universiteit te volgen.

De nadruk op het foutloze

Op school lag alle nadruk niet alleen op het (dwangmatig) stimuleren van talenten, mogelijkheden, kansen.

Wat erger was, het moest meestal ook foutloos. Zeker als je een handicap had, werd streng toegezien op het foutloze. Een handicap of stoornis was voor een aantal leerkrachten geen reden om fouten te mogen maken, of te verzaken. ‘Iedereen zal op dezelfde kracht door dezelfde deur naar binnen en naar buiten komen,’ klonk het.

Elke opdracht werd verondersteld foutloos uitgevoerd te worden. Elke fout was een punt af. Geen score op tien, maar een min met een cijfer naast. Wie ‘-4′ had, was te min om nog verder met de subgroep ‘sterksten’ les te volgen. ‘Je verstaat toch dat ik het niet kan blijven uitleggen, niet? Ik wil bezig zijn met de jongens die het beter doen.’

Thuis was het anders

Thuis ging het er gelukkig heel anders aan toe. Daar volstond je best doen en werd ik geloofd als ik zei al het mogelijke te hebben gedaan. Er was interesse voor elk resultaat, maar niet zozeer om de prestatie. Wel om wat ik er wilde mee doen, waar ik naartoe wilde, of het nog niet te vel werd. Af en toe fronsten ze wel eens de wenkbrauwen bij mijn logica. Maar er werd vertrouwen gegeven. Vertrouwen om te experimenteren en fouten te mogen maken.

Veranderende regels

Langzamerhand veranderden de regels. Eerder van vorm en terminologie dan van inhoud. Het was even wennen aan dat nieuwe jasje.

Zeker omdat ik nu wel fouten mocht maken. Zes jaar lang had ik geprobeerd alles zo foutloos mogelijk te doen. En nu werd het zelfs aangemoedigd. Iedereen maakte immers fouten. Wie geen conflicten of taakfouten maakte, had een leerprobleem.

We waren net in dit leven gezet om fouten te maken, om conflicten te hebben en om te struikelen. Om erover na te denken, te bezinnen over onze onvolmaaktheid, ze te toetsen aan wat juist en goed is en erover te reflecteren.

Leren uit de fouten

Toch mochten we er ook weer niet te lang bij blijven stilstaan. Uiteindelijk moest ik toch vooral leren uit fouten. Met of zonder hulp van wie het beter wist. Het kwam er bovendien op aan te zoeken naar beperkingen en daar hard aan te werken.

Beperkingen waren immers talenten die door een foute, vaak onbewuste attitude op non-actief waren gezet. Zelfbeklag was niet welkom. Evenmin als misplaatste trots. Je kon immers in kringetjes blijven redeneren zonder dat je het van jezelf wist. En je kon niet op alle gebieden evenveel weten.

Een fout gelopen biecht

Iedereen maakte fouten. Mama, papa, opa, oma, ooms en tantes, broers en zussen maakten fouten. Door hun fouten was ik uiteindelijk geworden wie ik nu was. Soms maakten ze grote fouten vaak. Daardoor waren mijn beperkingen ontstaan, wist ik soms niet wat ik deed, was ik van het juiste pad afgeraakt. Soms zonder dat ze het wisten, maar volhardend in hun boosheid.

Wie schuld of fout daaraan had, dat bleef een eeuwige discussie. Van de leraar hoorde ik dat ik fout was, het lag aan mijn attitude. Net zoals de priester leek hij eerder voor de zelfkastijding, voor onbewuste zonden.

Zeker toen ik bleef volhouden zonder zonden te zijn toen het tijd was om naar de biecht te gaan. Ik kon toch mezelf toch niet zwart maken om iets wat ik niet had gedaan? ‘Ik kan toch niet liegen of zomaar zonden verzinnen, zoals al die mensen die naar uw kerk komen. Wat zou God daarvan zeggen?’, waren mijn laatste woorden, vooraleer een beledigde priester mij uit de kerk zette. Dat was mijn laatste biecht.

Niet goed om over schuld en fout te spreken

Zelf was ik eerder geneigd de psychologe te geloven. Volgens haar was het niet goed om over schuld en fout te spreken. Eerst en vooral kon ik daarover niet altijd goed oordelen. Daarvoor moest je van alles weten. Wat precies was wat ik dacht.

Volgens haar was alles overgedragen door of afgekeken van vorige generaties. Soms wel van zover terug dat niemand meer goed wist waar het ooit was begonnen.

Van haar hoorde ik voor het eerst het verhaal van het rugzakje. Elk heeft een onzichtbaar rugzakje op de weg door het leven. Dat is precies een boekhouding, met onder andere overgedragen schulden. Sommigen zijn pas tegen hun veertig uit de schulden, anderen veel eerder.

Het rugzakje lichter maken

Zo leerde ik stilaan ‘mijn rugzakje’ lichter maken. Aanvankelijk had ik dat verstaan als minder meedoen in mijn boekentas. Maar dat bleek dus niet de bedoeling.

Toen leerde ik de uitdrukking over dat onderste uit de kan. Dat ik niet zo perfectionistisch moest zijn als ik op school had geleerd. En dat ik van alles en nog wat niet hoefde te doen. Tenzij ik het echt wilde natuurlijk.

Zelfs tevreden en gelukkig zijn hoefde niet meteen. Dat was een hele opluchting, want voordien was ik aan het piekeren geweest hoe ik ooit gelukkig zou kunnen zijn. Evenmin moest ik ervoor zorgen dat anderen tevreden zijn. Sommige mensen zouden nooit tevreden zijn.

Iedereen maakt fouten, sommigen worden dat niet graag gezegd.

Stilaan zag ik in dat ook leraars en hulpverleners fouten maakten. Ik leerde hen daar niet meteen op attent te maken. Eigenlijk moeten mensen hun eigen fouten leren kennen, leerde ik, alleen zo kunnen ze eraan werken (of ze gewoon laten).

Aanvankelijk vond ik dat onrechtvaardig, omdat ik sommige leraars uit waardering wilde wijzen op hun fouten. Ik had immers geleerd dat mensen maar konden evolueren in het leven als ze leerden uit hun fouten. Omdat ik hen graag had, wilde ik hen de kans om te evolueren niet ontzeggen. Hoe kon dat anders dan hen op fouten wijzen?

Toen ze niet vrolijk werden van mijn gift, legde de psychologe mij uit dat ik het niet helemaal goed had begrepen. Toen maakte ik voor het eerst kennis met de complexiteit van mensen.

Tot slot: een tekst boven mijn bed

Uiteindelijk snapte ik dat iedereen fouten maakt, en niemand perfect is. Ze proberen hun best te doen, ook al vergeten ze dat soms. En veel mensen schuiven fouten af op anderen. Maar het belangrijkste is dat ik gewoon mijn best doe. Half mijn inspanningen geven vaak al een beter resultaat dan hard werk van anderen.

En zo hing ik boven mijn bed deze tekst, waar ik me af en toe aan herinnerde. Ze heeft er uiteindelijk een paar jaar gehangen. Het ging als volgt:

“Ik hoef niet boos te zijn op mezelf omdat ik niet perfect kan zijn. Want ik ben mens. Ik zal niet proberen mijn tijd te verdoen met gepieker over altijd alles perfect te willen doen. Ik zal gewoon mijn best doen. Ik zal proberen maar proberen op tijd te stoppen. Zoals iedereen zijn best probeert te doen. Niet meer. Niet minder.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s